“Ik moet opruimen want ik ga verhuizen. Eigenlijk wil ik dat niet, maar het moet. En jij moet mij dus helpen om met minder spullen naar een appartement te gaan.
Of zal ik toch maar een woning nemen met een berging?”
De klant praat gejaagd en het lijkt wel of morgen de verhuisauto voor de deur staat.
In een paar zinnen zo vaak het woord moeten gebruiken is opvallend. Ik besluit de aap op mijn schouder op de grond te zetten om in alle openheid dit kennismakingsgesprek te voeren.
Ik vertel hem dat ik graag wil weten van wie hij dit allemaal moet. Hij kijkt me verbaasd aan.
“Nou ja”, zegt hij, “als ik anderen vertel dat ik ga verhuizen, dan zeggen ze dat ze dit héél verstandig vinden.”
Hij ervaart druk en voelt zich niet meer vrij. Hij is ervan overtuigd dat ze bedoelen dat hij wel laat is met dit besluit. Maar is dat waar of zijn dit zijn gedachten hierover?
“Je hebt gelijk”, zegt hij “Misschien komt het mij goed uit om dit te geloven omdat ik dan boos kan zijn op de buitenwereld. Dan hoef ik het verdriet, dat ik ook heb, niet te voelen.
“Maar”, zeg ik, “als we teruggaan naar het begin, toen was er wel een idee, jouw idee, om te veranderen van woonomgeving.”
Wat ligt daar dan aan ten grondslag?
Hij vertelt over toenemende onderhoudskosten en het besef dat alles wat hij bewaart, zorg en aandacht nodig heeft, iets waar hij langzamerhand niet meer in kan voorzien.
Al pratend brokkelt de muur van weerstand langzamerhand af en het verhuisplan wordt weer van hemzelf.
Dit betekent niet dat het afstand doen van spullen gemakkelijk voor hem is.
Alle mogelijke tegenargumenten komen op tafel.
Bijvoorbeeld:
Dat het zonde is om spullen van de hand te doen, voor minder geld dan gekocht of zelfs voor niets.
Dat het zekerheid geeft om van alles 2 tot 3 exemplaren te hebben voor het geval dat.
Het losweken van spullen kost tijd maar als hij ziet dat er ruimte ontstaat, is er opluchting en zelfs een gevoel van bevrijding.